Woonverdubbelaar

De woning staat er vaak al. Meer woonruimte begint bij anders kijken.

De woning staat er vaak al. Meer woonruimte begint bij anders kijken.

Nederland zoekt ruimte voor honderdduizenden woningen. Die zoektocht begint meestal bij de vraag waar we nog kunnen bouwen. Maar een deel van het antwoord staat al jaren voor onze neus. In onze bestaande straten, wijken en gebouwen. Met De Woonverdubbelaar maken we zichtbaar waar die verborgen woonruimte zit – en vooral wat nodig is om haar daadwerkelijk te benutten. 

De potentie is er dus. De schaal nog niet. 

In veel Nederlandse wijken bestaat een opvallende tegenstelling. Achter de ene voordeur woont één persoon in een ruime eengezinswoning. Een paar huizen verder zoekt een starter al jaren naar een betaalbare plek. Boven winkels staan verdiepingen leeg, terwijl op de begane grond iedere vierkante meter wordt gebruikt. En op sommige appartementencomplexen ligt letterlijk ruimte voor nieuwe woningen, zonder dat daarvoor een nieuwe bouwlocatie nodig is. 

Toch richten we het gesprek over de woningbouwopgave nog vaak op wat er nieuw moet worden gebouwd. Dat blijft hard nodig. Maar wie alleen naar nieuwe locaties kijkt, laat een belangrijk deel van de oplossing liggen: het beter benutten van de gebouwen en buurten die er al zijn. 

Het Economisch Instituut voor de Bouw schat dat splitsen, optoppen en transformeren tot en met 2030 tussen de 100.000 en 120.000 extra woningen kan opleveren. Vooral bij optoppen ziet het instituut nog onbenutte mogelijkheden. Ook de Rijksbouwmeester benadrukt dat woningsplitsing op korte termijn sneller resultaat kan opleveren dan de ontwikkeling van grootschalige nieuwe woongebieden. 

De praktijk wil wel, maar loopt vast 

Splitsen, optoppen, woningdelen en transformeren zijn geen nieuwe ideeën. Gemeenten, woningcorporaties, eigenaren en marktpartijen experimenteren er al jaren mee. Toch blijft het aantal daadwerkelijk toegevoegde woningen achter. 

Volgens ING is het jaarlijkse aantal woningen dat door transformaties, optoppingen en splitsingen wordt toegevoegd in vier jaar tijd gedaald van circa 17.500 naar 10.700. Stijgende bouwkosten, hogere financieringslasten en een kleiner aanbod van eenvoudig te transformeren gebouwen zetten de haalbaarheid onder druk. Uit cijfers van het CBS blijkt bovendien dat woningsplitsing in 2024 per saldo ongeveer 1.815 extra woningen opleverde. Dat is waardevol, maar nog beperkt in verhouding tot de landelijke woningbouwopgave. 

Het probleem is niet alleen financieel of bouwkundig. Het zit ook in de manier waarop we de bestaande voorraad benaderen. Iedere aanvraag wordt afzonderlijk beoordeeld. Voor ieder pand wordt opnieuw onderzocht wat het omgevingsplan toestaat, welke parkeernorm geldt, of de constructie geschikt is, wat de gevolgen zijn voor de leefbaarheid en welke juridische of eigendomstechnische beperkingen spelen. Bij appartementencomplexen moet bovendien rekening worden gehouden met de Vereniging van Eigenaars. Onderzoek naar optoppen laat zien dat juist de businesscase, parkeren, financiering en het verkrijgen van draagvlak binnen VvE’s belangrijke belemmeringen voor opschaling vormen. 

Maatwerk blijft noodzakelijk. Geen twee gebouwen en geen twee wijken zijn precies hetzelfde. Maar wanneer iedere aanvraag opnieuw bij nul begint, wordt maatwerk een rem op de uitvoering.  

Van losse aanvragen naar een gebiedsstrategie

De kern van de opgave is daarom niet het volledig afschaffen van maatwerk. De kern is het standaardiseren van het voorwerk. Veel gebouwen zijn onderling vergelijkbaar. Ze hebben dezelfde bouwperiode, woningtypologie, dakconstructie of verkaveling. Ook veel ruimtelijke vraagstukken keren terug. Denk aan parkeerdruk, bereikbaarheid, groen, voorzieningen, eigendom, beschermde stadsgezichten en de draagkracht van de openbare ruimte. 

Door die overeenkomsten vooraf te onderzoeken, kunnen gemeenten woningen en gebieden indelen in herkenbare typologieën. Een ruime eengezinswoning vraagt om een andere benadering dan een naoorlogse portiekflat. Bovenwoningen in een winkelstraat bieden andere mogelijkheden dan een appartementencomplex met een plat dak. En een wijk met goede voorzieningen en openbaar vervoer kent andere randvoorwaarden dan een buurt waar parkeerplaatsen en openbare ruimte al zwaar onder druk staan. 

Dat maakt een verschuiving mogelijk van “Mogen we deze ene woning splitsen?” naar “In welke buurten en bij welke gebouwtypen willen en kunnen we structureel extra woonruimte toevoegen?” 

Die omslag is hard nodig. In een eerdere gemeentelijke inventarisatie bleek ongeveer de helft van de gemeenten geen afzonderlijke beleidsregels voor woningsplitsing te hebben en aanvragen vooral via maatwerk te beoordelen. Platform31 wijst er bovendien op dat gemeenten meerdere instrumenten tegelijk nodig hebben. Van prioritering en beleidsregels tot aanpassingen in het omgevingsplan, de huisvestingsverordening en de ondersteuning van initiatiefnemers. 

De Woonverdubbelaar: zien waar ruimte ontstaat 

De Woonverdubbelaar is een datagedreven aanpak die het voorwerk standaardiseert. Zo wordt zichtbaar waar welke vorm van beter benutten kansrijk is, welke randvoorwaarden spelen en waar aanvullend onderzoek nodig is.

Samen met de gemeente ontwikkelen we een ruimtelijke potentiekaart. Daarop wordt niet alleen zichtbaar waar extra woningen mogelijk kansrijk zijn, maar ook:

  • ​Welke vorm van beter benutten bij een locatie past;
  • ​Welke ruimtelijke en beleidsmatige randvoorwaarden gelden; 
  • ​Welke belemmeringen vooraf zichtbaar zijn; 
  • ​Welke locaties of gebouwtypen prioriteit verdienen; 
  • ​Waar aanvullend technisch, juridisch of financieel onderzoek nodig is. 

Afhankelijk van de lokale vraag kunnen onder andere splitsen, optoppen, woningdelen, transformeren, aanbouwen en het toevoegen of activeren van woningen in plinten worden onderzocht.

Daarvoor combineren we beschikbare informatie over bijvoorbeeld gebouwtype, oppervlakte, bouwjaar, hoogte, dakvorm, gebruik, eigendomssituatie, voorzieningen, bereikbaarheid, parkeerdruk en ruimtelijke kwaliteit. Demografische gegevens worden waar relevant op een passend geaggregeerd niveau gebruikt. De tool is nadrukkelijk niet bedoeld om individuele bewoners te beoordelen. 

De analyse wordt gekoppeld aan lokale beleidskeuzes. Een gemeente die vooral kleinere woningen voor senioren wil realiseren, stelt andere beslisregels op dan een gemeente die ruimte zoekt voor starters, studenten of betaalbare huur. De kaart laat dus geen objectieve, universele waarheid zien. Zij maakt de gevolgen van lokale ambities en keuzes inzichtelijk en vormt het vertrekpunt voor een uitvoeringsagenda.

Voorbeeld: ruimtelijke potentiekaart voor de gemeente Purmerend. Per locatie wordt zichtbaar welke vorm van beter benutten kansrijk is. De kaart ondersteunt prioritering en vormt de basis voor het gesprek over randvoorwaarden en uitvoering. 

In 6 stappen van quickscan naar uitvoering met De Woonverdubbelaar 

De Woonverdubbelaar is niet alleen een digitale kaart. Het is een gezamenlijk proces waarin data, beleid en praktijk bij elkaar worden gebracht. Van een eerste quickscan tot een concrete uitvoeringsagenda. 

De doorlooptijd van het hele traject is ongeveer vier tot zes maanden, inclusief gezamenlijke werksessies. Het resultaat is een combinatie van potentiekaart, inzicht in randvoorwaarden en een uitvoeringsagenda waarmee de gemeente gericht verder kan.

Wat levert De Woonverdubbelaar jou op?

De Woonverdubbelaar geeft geen definitief oordeel over de constructieve veiligheid, financiële haalbaarheid of vergunningverlening van een individueel initiatief. Dat zou een schijnzekerheid creëren. De kracht zit in het verkleinen van het zoekgebied en het standaardiseren van terugkerend voorwerk.

  • ​Een kleiner zoekgebied: in plaats van honderden of duizenden panden afzonderlijk te onderzoeken, wordt zichtbaar waar verdiepend onderzoek de meeste kans van slagen heeft.
  • ​Gestandaardiseerd voorwerk: vergelijkbare woningen en gebieden vooraf clusteren, zodat beleid en vergunningverlening niet telkens vanaf nul hoeven te beginnen.
  • ​Gerichtere inzet van capaciteit: schaarse tijd en middelen effectiever inzetten.
  • ​Tijdsbesparing: terugkerend voorwerk verminderen in zowel beleid als vergunningverlening.
  • ​Inzicht in het realistische potentieel: bestuurders helpen om beter onderbouwde keuzes te maken.
  • ​Meer duidelijkheid voor initiatiefnemers: inzicht geven in kansen en mogelijke vervolgstappen.
  • ​Een gerichter gesprek: betere aanknopingspunten voor een overleg met corporaties, VvE’s, bewoners en marktpartijen.

Aandacht voor deze aanpak neemt toe: In april 2026 presenteerde het Rijk de Landelijke Aanpak Beter Benutten

De landelijke aandacht voor deze aanpak neemt toe. In april 2026 presenteerde het Rijk de Landelijke Aanpak Beter Benutten, die is gericht op het op grotere schaal toevoegen van woningen binnen bestaande gebouwen en buurten. Het kabinet kondigde vervolgens aan gemeenten te willen ondersteunen met onder andere potentiescans, rekenmodellen en werkwijzen voor terugkerende knelpunten, terwijl lokaal keuzes per wijk en buurt mogelijk blijven. De beweging is dus ingezet. De vraag is nu hoe organisaties de stap maken van algemene potentie naar concrete locaties en uitvoerbare keuzes.

De ruimte ligt soms dichterbij dan we denken 

De woningnood wordt niet opgelost met één instrument. Nieuwbouw, transformatie, doorstroming en het beter benutten van bestaande gebouwen zijn allemaal nodig. Maar we kunnen het ons niet veroorloven om bij iedere aanvraag opnieuw te beginnen. Door data, lokale kennis en beleid te verbinden, kunnen we eerder zien welke mogelijkheden realistisch zijn en waar publieke en private partijen hun energie het beste kunnen inzetten. De woning staat er vaak al. Meer woonruimte begint bij anders kijken. 

Benieuwd hoeveel woonruimte er binnen jouw gemeente, regio of vastgoedportefeuille verborgen zit?

Neem voor een toelichting of demonstratie van De Woonverdubbelaar contact op met Isamu of Hans

Isamu, adviseur bij NCOD Ruimte

Hans, marktgroepleider bij NCOD Ruimte